Stelling nemen, transparant zijn en verantwoording afleggen
“Onze medewerkers zien wij als ambassadeurs van de gemeente. Zij bepalen een belangrijk deel van het imago en de uitstraling van de gemeentelijke organisatie.”
(Citaat uit de inleiding van het nieuwe Coalitieakkoord “Besturen met en voor mensen.”)
Niemand zal er op zitten te wachten om langs de weg van dit weblog kennis te nemen van mijn mening over het nieuwe coalitieprogramma. Daarom onthoud ik me op deze plaats van het geven van commentaar op de inhoud ervan. Toch heb ik boven deze bijdrage een citaat uit de inleiding van dat programma geplaatst. En ook dat niet omdat ik over wat er staat op- of aanmerkingen meen te moeten maken. Nee, terugkijkend naar de afgelopen periode wil ik iets zeggen over wat er net niet staat.
In de verkiezingscampagne in 2002 riepen vrijwel alle politieke partijen – ook het CDA - dat het roer om moest. “Transparantie” was het kernwoord in de campagne. We wilden ook af van het zittend college dat in onze ogen van toen partijpolitiek niet meer herkenbaar was. Wij hadden het gevoel dat het op te veel punten die in de diverse partijprogramma’s stonden - vaak op ambtelijk advies - de sceptisch regenteske houding aannam van “Jongens, dat kan je nou wel willen, maar dat kan eenvoudigweg niet.” Vol ambitie om het anders te gaan doen (vooral aan het energie verslindende geĆ«tter tussen VVD en LB moest een eind komen) trad een nieuw college aan waarin het CDA met die beide partijen deelnam. Goed naar de mensen luisteren zouden we, eerlijk en toegankelijk zijn. Kortom: nieuwe politieke mores wilden we introduceren.
Maar het zat niet goed met het liberale deel van de politieke basis van dat college en ook de geforceerde terugkeer van collega Goote in de warme VVD moederschoot had een averechts resultaat: door de getalsmatig te beperkte steun ontaardde de besluitvorming in de raad zich tot een steeds vaker terugkerend partizanengevecht en moest het college het vaak hebben van de bij de PvdA-fractie ruimschoots aanwezige bestuursmoraal, alle oppositionele vaardigheden van die zijde ten spijt. Na vier jaar was het beeld naar buiten bepaald nog niet zo veranderd als beoogd.
In 2006 kwam er een coalitie tot stand langs een voor Bloemendaal ongebruikelijke weg: PvdA en CDA sloegen de handen ineen, schreven een programma en overlegden daar vervolgens met de VVD over op voet van gelijkheid. Het college dat hieruit voortkwam stelde zich, voor mijn gevoel niet continue bewust, veel dualistischer op dan tevoren – nam soms ook welbewust een standpunt in dat door de raad en ook daarbuiten door menigeen (nog) niet werd gedeeld. Soms moet je je verantwoordelijkheid als college nemen, nietwaar? Minder comfortabel kan best bestuurlijk meer verantwoord zijn. Een college dat afgaat op eigen verantwoordelijksgevoel, is ten volle dualistisch! Natuurlijk met alle respect ervoor dat het de raad is, die in veel gevallen uiteindelijk aan de touwtjes trekt via het onvervreemdbaar budgetrecht. Dan voeg je je als college in je handelen daarnaar omdat het zo hoort. Maar je overtuiging raak je dan niet wijt: je bent geen windvaan! Die houding was nogal wat mensen – ook in de lokale pers en ook in de raad – niet naar de zin. Dat lijkt me gebaseerd op de dwaze gedachte dat het dualisme vordert dat de raad het zich niet kan permitteren het denken van het college niet te beheersen.
Toen ik de deze laatste zin bedacht had, was de cirkel rond. De werkelijke consequentie van dualisme is, dat de raad en het college (veel scherper dan in de praktijk tot nu) bewust raken van de beperktheid van de eigen verantwoordelijkheid die de wet hen toekent: voor de raad slechts een verordenende: kaderstelling en control. En voor het college slechts de uitoefening van het dagelijks bestuur. Beide moeten er besef en respect voor hebben dat dat wezenlijk verschillende verantwoordelijkheden zijn. En dat zich dat bij tijd en wijle heel wel kan verdragen met het innemen van verschillende standpunten over bepaalde zaken. Als de discussie in de raad getuigt van dat respect krijgt het raadsdebat – en naar mijn stellige overtuiging daarmee ook: de politiek – weer het aanzien dat voor een levende democratie een bestaansvoorwaarde is.
Daar is overigens ook verandering voor nodig van de taal die sommige mensen zich bij de inspraak menen te kunnen permitteren in de bejegening van het gemeentebestuur. Alsof de raadszaal gedomineerd wordt door een stelletje oplichters. Ik heb in de raadzaal de grofste beledigingen geuit horen worden zonder dat ook maar een raadslid er een spier bij vertrok. De raad accepteert dat. Maar ook de toon van het raadsdebat zelf kenmerkt zich maand na maand veel te vaak door een verwijtende sfeer dat de een er niks van bakt en de ander er niks van snapt. Alsof men in de verantwoordelijkheid van de ander treden moet. Schijnbaar articuleer je daarmee dat je zelf tot veel iets veel beters in staat bent.
Hoewel ik me realiseer dat deze analyse op mezelf terug kan slaan, wil ik dit toch als mijn overtuiging naar voren brengen. Laat niemand zich verbazen over de manier waarop veel mensen over “de politiek” denken als politici zelf er niet in slagen de ander uitnemender te achten dan zich zelf en vanuit die positie met elkaar de discussie aangaan.
Wat mij betreft staat die passage over hoe de coalitiepartners de ambtelijke medewerkers zien, prachtig in hun programma. Het zal voor de organisatie wel een nieuwe ervaring zijn om door het gemeentebestuur op ambassadeursniveau te worden geplaatst. Maar, zonder dollen, ik zou er heel graag naast willen stellen dat het de raads- en collegeleden zijn die - door hun wijze van discussiƫren en omgaan met elkaar - honderd keer meer dan de ambtenaren bepalen van het imago en de uitstraling van de gemeentelijke organisatie. Besef van die verantwoordelijkheid van de gemeentebestuurders zelf, had ook best uit het programma mogen blijken. Daarom wens ik de opvolgende generatie dit besef vanaf deze plaats toe en ook het plezier er in deze zin ook wat van te maken.
“Onze medewerkers zien wij als ambassadeurs van de gemeente. Zij bepalen een belangrijk deel van het imago en de uitstraling van de gemeentelijke organisatie.”
(Citaat uit de inleiding van het nieuwe Coalitieakkoord “Besturen met en voor mensen.”)
Niemand zal er op zitten te wachten om langs de weg van dit weblog kennis te nemen van mijn mening over het nieuwe coalitieprogramma. Daarom onthoud ik me op deze plaats van het geven van commentaar op de inhoud ervan. Toch heb ik boven deze bijdrage een citaat uit de inleiding van dat programma geplaatst. En ook dat niet omdat ik over wat er staat op- of aanmerkingen meen te moeten maken. Nee, terugkijkend naar de afgelopen periode wil ik iets zeggen over wat er net niet staat.
In de verkiezingscampagne in 2002 riepen vrijwel alle politieke partijen – ook het CDA - dat het roer om moest. “Transparantie” was het kernwoord in de campagne. We wilden ook af van het zittend college dat in onze ogen van toen partijpolitiek niet meer herkenbaar was. Wij hadden het gevoel dat het op te veel punten die in de diverse partijprogramma’s stonden - vaak op ambtelijk advies - de sceptisch regenteske houding aannam van “Jongens, dat kan je nou wel willen, maar dat kan eenvoudigweg niet.” Vol ambitie om het anders te gaan doen (vooral aan het energie verslindende geĆ«tter tussen VVD en LB moest een eind komen) trad een nieuw college aan waarin het CDA met die beide partijen deelnam. Goed naar de mensen luisteren zouden we, eerlijk en toegankelijk zijn. Kortom: nieuwe politieke mores wilden we introduceren.
Maar het zat niet goed met het liberale deel van de politieke basis van dat college en ook de geforceerde terugkeer van collega Goote in de warme VVD moederschoot had een averechts resultaat: door de getalsmatig te beperkte steun ontaardde de besluitvorming in de raad zich tot een steeds vaker terugkerend partizanengevecht en moest het college het vaak hebben van de bij de PvdA-fractie ruimschoots aanwezige bestuursmoraal, alle oppositionele vaardigheden van die zijde ten spijt. Na vier jaar was het beeld naar buiten bepaald nog niet zo veranderd als beoogd.
In 2006 kwam er een coalitie tot stand langs een voor Bloemendaal ongebruikelijke weg: PvdA en CDA sloegen de handen ineen, schreven een programma en overlegden daar vervolgens met de VVD over op voet van gelijkheid. Het college dat hieruit voortkwam stelde zich, voor mijn gevoel niet continue bewust, veel dualistischer op dan tevoren – nam soms ook welbewust een standpunt in dat door de raad en ook daarbuiten door menigeen (nog) niet werd gedeeld. Soms moet je je verantwoordelijkheid als college nemen, nietwaar? Minder comfortabel kan best bestuurlijk meer verantwoord zijn. Een college dat afgaat op eigen verantwoordelijksgevoel, is ten volle dualistisch! Natuurlijk met alle respect ervoor dat het de raad is, die in veel gevallen uiteindelijk aan de touwtjes trekt via het onvervreemdbaar budgetrecht. Dan voeg je je als college in je handelen daarnaar omdat het zo hoort. Maar je overtuiging raak je dan niet wijt: je bent geen windvaan! Die houding was nogal wat mensen – ook in de lokale pers en ook in de raad – niet naar de zin. Dat lijkt me gebaseerd op de dwaze gedachte dat het dualisme vordert dat de raad het zich niet kan permitteren het denken van het college niet te beheersen.
Toen ik de deze laatste zin bedacht had, was de cirkel rond. De werkelijke consequentie van dualisme is, dat de raad en het college (veel scherper dan in de praktijk tot nu) bewust raken van de beperktheid van de eigen verantwoordelijkheid die de wet hen toekent: voor de raad slechts een verordenende: kaderstelling en control. En voor het college slechts de uitoefening van het dagelijks bestuur. Beide moeten er besef en respect voor hebben dat dat wezenlijk verschillende verantwoordelijkheden zijn. En dat zich dat bij tijd en wijle heel wel kan verdragen met het innemen van verschillende standpunten over bepaalde zaken. Als de discussie in de raad getuigt van dat respect krijgt het raadsdebat – en naar mijn stellige overtuiging daarmee ook: de politiek – weer het aanzien dat voor een levende democratie een bestaansvoorwaarde is.
Daar is overigens ook verandering voor nodig van de taal die sommige mensen zich bij de inspraak menen te kunnen permitteren in de bejegening van het gemeentebestuur. Alsof de raadszaal gedomineerd wordt door een stelletje oplichters. Ik heb in de raadzaal de grofste beledigingen geuit horen worden zonder dat ook maar een raadslid er een spier bij vertrok. De raad accepteert dat. Maar ook de toon van het raadsdebat zelf kenmerkt zich maand na maand veel te vaak door een verwijtende sfeer dat de een er niks van bakt en de ander er niks van snapt. Alsof men in de verantwoordelijkheid van de ander treden moet. Schijnbaar articuleer je daarmee dat je zelf tot veel iets veel beters in staat bent.
Hoewel ik me realiseer dat deze analyse op mezelf terug kan slaan, wil ik dit toch als mijn overtuiging naar voren brengen. Laat niemand zich verbazen over de manier waarop veel mensen over “de politiek” denken als politici zelf er niet in slagen de ander uitnemender te achten dan zich zelf en vanuit die positie met elkaar de discussie aangaan.
Wat mij betreft staat die passage over hoe de coalitiepartners de ambtelijke medewerkers zien, prachtig in hun programma. Het zal voor de organisatie wel een nieuwe ervaring zijn om door het gemeentebestuur op ambassadeursniveau te worden geplaatst. Maar, zonder dollen, ik zou er heel graag naast willen stellen dat het de raads- en collegeleden zijn die - door hun wijze van discussiƫren en omgaan met elkaar - honderd keer meer dan de ambtenaren bepalen van het imago en de uitstraling van de gemeentelijke organisatie. Besef van die verantwoordelijkheid van de gemeentebestuurders zelf, had ook best uit het programma mogen blijken. Daarom wens ik de opvolgende generatie dit besef vanaf deze plaats toe en ook het plezier er in deze zin ook wat van te maken.
Voor de laatste keer met vriendelijke groet,
Victor Bruins Slot